Ros
De regen striemde tegen de houten bank aan de Oudegracht. Ik zat eronder, met mijn staart tegen mijn neus gedrukt, en probeerde een plan te bedenken voor eten. De prullenbak bij de brug was geen optie — alles was er kleddernat, en de koning van de ratten had me er gisteren nog bijna te pakken genomen.
Boven me klonk een stem, ijl alsof ze door een matras praatte. "Poes? Kom 's hier, ik heb wat lekkers."
Ik tuurde omhoog. Een vrouw in een verschoten regenjas diepte een stukje gerookte paling op uit een plastic zak. Ze was grijs en doorzichtig, net als het herfstbladerdek op de gracht. Rechts door haar schouder zag ik de toren van de Domkerk, wazig in de mist.
"Hier, pak aan," zei ze, en ze legde het visje op de natte stenen. "Morgen breng ik meer, als ik me tenminste niet nog beroerder voel."
Ze glimlachte moeizaam. Dit schepsel was net zo onzichtbaar voor de wereld als ik. Dat moest veranderen.
Zodra ze aanstalten maakte te vertrekken, dook ik het steegje in. Ik kende een plek waar raad te halen viel, al rook die naar oude kattenpis en mottenballen. De zolderkamer van Henk.
Ze noemden hem ‘de Brompot’. Een oude, zwarte kater met grijze vlekken op zijn vacht en ogen die dwars door je heen sneden. Zijn roemruchte voorspellingen hadden hem alleen vijanden opgeleverd. Niemand wilde horen dat hun nest door een auto zou worden platgereden, dus hadden ze hem uitgestoten. Henk woonde al jaren op het stoffige zoldertje boven een leegstaande winkel aan de Zakkendragerssteeg. Alleen een bejaarde buurvrouw bracht hem af en toe een bakje brokjes.
Ik vond hem naast het dakraam, starend naar de regen. "Henk," begon ik, "ik zag een vrouw, ze was… ik zag de straat door haar heen."
Hij snoof verachtelijk. "Onnodigheid," mompelde hij. "Daar word je doorzichtig van. Geen mens die je ziet. Geen hond, geen kat, geen plant. Op den duur verdwijn je helemaal."
"Bestaat daar een medicijn tegen?"
Henk bewoog traag zijn kop. "Jawel. Iemand die wacht. Thuis. Met een lege voerbak."
Toen begreep ik het. Zij had mij een stukje paling gegeven. Ik kon haar iets teruggeven: een reden om ’s avonds de deur open te doen.
De volgende dag stond ik op dezelfde plek, bibberend van de kou, toen ze aan kwam schuifelen. "Wacht je op mij?" zei ze, en haar doorzichtige vingers streelden even mijn kop. Ik drukte me tegen haar enkels. "Goed dan, kom maar mee."
Haar appartement lag aan een kleine straat vlakbij de werfkelder. Twee kamers hoog, met uitzicht op een blinde muur. Binnen was alles grijs: de muren, het aanrecht, de eenzame pantoffels bij de deur. Eén pantoffel was half onder de kast geschoven, alsof hij probeerde te ontsnappen. In de spiegel boven de kapstok hing een waas.
Ze zette een bord erwtensoep voor me neer. Terwijl ik slurpte, liet ze zich op een keukenstoel zakken en staarde naar het raam. Ik sprong op schoot. Ze schrok, maar toen legde ze een hand op mijn vacht en begon traag te krabbelen.
"Eva," zei ze, haar stem dun als het najaarslicht. "Zo heet ik. Jij?"
Ik gaf een kopje tegen haar kin. "Dan noem ik je Ros," besloot ze, en in haar ogen flitste iets wat op hoop leek.
De weken daarna ontrafelde Eva haar verhaal. Haar ouders, een eeuwig gekibbel over geld, hadden eindelijk besloten te scheiden. Op de rit naar de rechtbank in Den Haag, in een dikke novembermist, waren ze op een vrachtwagen gebotst. Nooit meer teruggekomen. Eva had de avond ervoor nog gebeden dat ze bij elkaar zouden blijven. Het gebed was uitgekomen, op de wreedst denkbare manier.
Sindsdien vulde ze haar dagen met spreadsheets, koude maaltijden en het geluid van de televisie die nooit echt aanstond. Collega’s vergaten haar naam. In de supermarkt keken caissières dwars door haar heen. En op een dag was het geen gezegde meer; toen zag ze haar eigen hand op het winkelwagentje vervagen.
Tot Ros verscheen. De zolderkat met de gehavende oren en het onverwoestbare optimisme.
De winter bracht sneeuw en ijs op de gracht, maar in Eva’s woning werd het warmer. De spiegel verloor zijn dofheid en toonde opeens een vrouw met blauwe ogen en appelwangen. De pantoffels stonden nu netjes naast elkaar. Tegen de verwarming lag een rieten kattenmand, die Eva op de markt bij de Breedstraat had gekocht voor €12,50. Ros wentelde zich erin en peinsde over de metamorfose. Eva neuriede onder de douche, zette de ramen open, kocht een fiets met een mand voor de boodschappen.
"Je bent net een zonnetje," zei ze ’s ochtends, terwijl ze zijn neus kuste. Hij niesde, maar zijn snorharen trilden van trots.
Tegen maart begon het te kriebelen. Henk, de oude Brompot, had hij nooit bedankt. Ros wachtte tot Eva naar haar werk fietste — ze werkte nu op de administratie van de Universiteit Utrecht — en wurmde zich door het open klapraampje. De Zakkendragerssteeg rook naar lenteregen en bloesem.
De deur naar de zolder stond op een kier. Het stoffige kamertje was leeg. Geen Henk, geen voerbakje. Op de vloer lag een vaal kussen met korte, grijze haren. Ros voelde een steek. Was hij te laat?
"Zo, ben je eindelijk naar me komen zoeken?" klonk het achter hem.
Ros sprong bijna uit zijn vel. Daar stond Henk, dikker en met glanzender vacht dan ooit. Zijn ogen, ooit zo somber, glommen als natte straatkeien.
"Hoe…?" stamelde Ros.
"Ik heb naar mezelf geluisterd," grijnsde Henk. "Een dag nadat jij vertrok, stond ik bij de voordeur van mijn buurvrouw. Miauwde tot ze open deed. Nu woon ik bij haar. Centrale verwarming, verse tonijn, en elke avond een schoot. Geen seconde onzichtbaar meer."
Voor Ros iets kon antwoorden, rekte Henk zich loom uit en voegde eraan toe: "Ik hoorde van de zwarte kater van drie huizen verder dat je hierheen sloop. Je komt zeker je dank betuigen? Bespaar je de adem. Ga liever opschieten voor het spitsuur op de gracht. Die vrouw van jou zal zich ondertussen afvragen of ze het raam wel dicht moet doen."
Ros slikte zijn woorden in, gaf Henk een stompje met zijn kop tegen diens schouder en draafde de trap af zonder om te kijken.
Terug in het appartement aan de gracht klom hij op de vensterbank en wachtte, zijn neus tegen het koele glas. Even later rammelde de sleutel in het slot. Eva stapte binnen, haar fietshelm nog op het hoofd, en zwaaide met een papieren zak.
"Stroopwafels! Van de kraam bij de Neude. Ze waren nog warm, dus ik heb een hele zak meegenomen."
Ze tilde Ros op en drukte een kus op zijn roze neus. Een kruimel stroopwafel bleef aan haar kin plakken. Ros likte hem eraf, zijn tong ruw als schuurpapier. Eva lachte, haalde de helm van haar hoofd en schudde haar natte haren uit. In de keuken begon de waterkoker te fluiten.
