Werkt voor kost en inwoning

De envelop zat al negen dagen in de binnenzak van mijn jas. Zaterdagochtend had ik hem onder de slaapbank geschoven, achter de doos met kapotte kerstballen. Daar keek niemand. Chantal gebruikte de slaapbank als garderobestelling; er lagen alleen haar zomerjurken en lege schoenendozen.

Ik stond al om half acht in de keuken van ons vakantiehuis bij Grolloo. De oude frituurpan spetterde alsof hij kwaad was. Die pan woog zeker drie kilo en het snoer was te kort, dus ik stond scheef voor het aanrecht. Ik maakte bitterballen, dertig stuks, en mijn vingers waren al twee keer rood van de rand van de pan. Naast me stond een schaal met leverworst, doosjes smeerkaas en een bak komkommersalade die volgens Chantal te grof was.

Mijn zoon Joris zat aan de keukentafel. Hij bladerde door zijn telefoon. Toen Chantal binnenkwam, keek hij pas op. Ze droeg een felroze top en rook naar haarlak.

„Anneke, die salade is echt te grof gesneden," zei Chantal. „Joris, zeg nou eens tegen je moeder dat komkommer met een mandoline moet."

Joris keek niet op. „Mam, kun je de komkommer wat dunner snijden? Anders ziet het er straks niet netjes uit op tafel."

Ik pakte de komkommer en het mes. De komkommer lag koud in mijn handen. Buiten maaide de buurman zijn gras. De geur van gemaaid gras waaide door het open raam naar binnen. De koekoeksklok boven de koelkast stond al drie jaar stil op kwart voor vier. Chantal had hem een keer van de muur willen halen.

De gasten arriveerden om twee uur. Sanne, Merel en een man die ik kende als Ruben. Ze gaven Chantal cadeaus: een fles bubbels, een cadeaubon van de HEMA, een vaas. Chantal vloog door de kamer. Ze omhelsde iedereen, haalde haar nieuwe schoenen uit een doos en zette ze naast de haard. „Van Zalando," zei ze. „Tweede paar deze maand."

Ik bracht een dienblad met glazen limonade. Niemand pakte een glas aan. Ze keken naar de beslagen ramen. Chantal zei: „We hebben de oude coniferen bij de schutting laten rooien. Koste maar een paar honderd euro. Nu lijkt de tuin pas van ons."

Ik bleef bij de deur staan. Die coniferen had ik in 1994 met mijn man geplant. Hij noemde ze de groene muur. Chantal had ze laten weghalen terwijl ik in Assen was voor een röntgenfoto van mijn knie.

Aan tafel kreeg ik de stoel naast de keukendeur. Ik had de hele ochtend niet gegeten. Ik legde een stukje stokbrood en één bitterbal op mijn bord. Chantal zat tegenover me.

Ze leunde over tafel, prikte met haar eigen vork in de bitterbal op mijn bord en nam een hap. Ze kauwde twee keer. Toen trok ze haar wenkbrauwen op en legde het half gekauwde stuk bitterbal terug op mijn bord, vlak naast de sla.

„Meelbal," zei ze. „Die moet je langer bakken, Anneke. Zo lust niemand ze."

Joris pakte zijn glas water en nam een slok. Hij zei niets. Ruben grinnikte. Sanne keek naar haar telefoon. Ik keek naar dat glimmende stukje deeg op mijn bord. Mijn vingers lagen om de rand van de stoel. Ik ademde door mijn neus. Toen stond ik op, nam mijn bord mee naar de keuken, gooide alles in de gft-bak en waste mijn handen met koud water. Heel secuur, drie keer.

Toen ik terugkwam, tikte Chantal met een vork tegen haar glas. De gesprekken stopten.

Chantal ging staan en trok een doos onder de tafel vandaan.

„Anneke, kom even," zei ze. „Wij hebben een cadeautje voor jou."

Ik stond op. Mijn rug deed pijn van het staan bij de frituurpan. Ik liep naar haar toe. Chantal haalde een opgevouwen stuk stof uit de doos. Ze hield het voor zich. Een schort. Knalgroen, bijna giftig. Op het bovenstuk stond in zwarte letters: „Beste bediende van het jaar". Daaronder kleiner: „Werkt voor kost en inwoning."

Sanne lachte hard. Ruben sloeg op tafel. Joris werd rood en wreef over zijn achterhoofd. Chantal stapte op me af met de strik van de schort. Ik stak mijn hand uit en pakte haar pols. Niet hard, maar wel vast. Ze stopte met lachen.

„Dank je, Chantal," zei ik. Mijn stem klonk als ijs op een fietspad. Ik vouwde de schort dubbel, hoek op hoek, en legde hem op de rand van de tafel. Ik streek de vouw glad. „Erg origineel. Ik heb ook iets voor jou."

Chantal glimlachte. Ze dacht dat er geld kwam. We hadden het twee weken geleden over dubbele beglazing gehad. Ze keek naar Joris. Joris keek naar de schutting.

Ik liep het huis in. In de slaapkamer haalde ik de envelop onder de slaapbank vandaan. Ik had hem negen dagen geleden van de notaris in Assen gekregen. Negen dagen geleden had Chantal tegen me geschreeuwd omdat ik haar blouse met de verkeerde temperatuur had gewassen. De envelop voelde dun. Er zat een uittreksel uit het Kadaster in en een kopie van de verkoopakte.

Ik kwam terug op de veranda. Iedereen keek naar me. Ik gaf de envelop aan Chantal.

„Open maar."

Ze scheurde hem open. Haar vingers trilden toen ze de papieren openvouwde. Ze las. Haar gezicht werd wit, daarna grijs. De kleur van oude krant.

„Wat is dit?" vroeg ze. Haar stem sloeg over.

„Dat is het bewijs dat dit vakantiehuis niet meer van mij is," zei ik. „Afgelopen maandag heb ik het verkocht. Driehonderdvijfentwintigduizend euro. Het geld staat op mijn rekening bij de ING. De nieuwe eigenaren zijn een echtpaar uit Harlingen. Ze komen woensdag de sleutel ophalen. Jullie hebben tot zondagavond om je spullen in te pakken en weg te wezen."

Joris stond op. Zijn stoel schraapte over de tegels.

„Mam, ben je gek geworden? Dat is ons huis!"

„Het was mijn huis," zei ik. „Jullie waren gasten. En gasten horen niet te spugen op het bord van de gastvrouw."

Chantal gooide de papieren over tafel. Ze vielen in de sauskommen.

„Dat kan niet! Wij hebben hier een nieuw gras laten leggen! Wij zouden volgend jaar het dak isoleren!"

„Zoek maar een aannemer voor je eigen dak," zei ik. „Ik ben geen bediende. En ik werk niet voor kost en inwoning."

Ik pakte mijn jas van de kapstok. Ik pakte mijn tas. Ik liep de veranda af, de tuintegels af, naar het hek. Achter me hoorde ik Joris roepen, maar ik keek niet om. De houten poort piepte toen ik hem openduwde. Ik liep over de schelpen naar de weg. De buurman stond bij zijn wortelbed en zwaaide. Ik zwaaide terug. Bij de bushalte in Grolloo stond een houten bankje waar iemand met zwarte stift „Mia was hier" op had geschreven. Ik wachtte op de bus naar Assen. Hij kwam negen minuten later.

In mijn flat aan de Kanaalstraat rook het naar stof en afwasmiddel. Ik deed de deur op slot, niet op het nachtslot, gewoon het gewone slot. Ik zette de waterkoker aan. Ik pakte de porseleinen mok met blauwe windmolens uit het keukenkastje. De mok was koud. Ik spoelde hem om onder de kraan. Het water liep over mijn vingers.

Toen zette ik thee en liep naar de gang. Ik deed mijn tas open. Onderin lag een nieuw deurslot, zo'n cilinder van het merk Nemef. Ik had hem vrijdag bij de Gamma in Assen gehaald, samen met een schroevendraaier en een zakje waxinelichtjes. Ik weet niet waarom ik die waxinelichtjes kocht. Misschien om iets normaals in de mand te hebben.

Ik schroefde de oude cilinder uit de deur. De schroevendraaier gleed twee keer uit. Er viel wat stucpoeder op de mat. Ik zette de nieuwe cilinder erin. Toen ik klaar was, probeerde ik de nieuwe sleutel. Hij gloeide niet. Hij paste gewoon. Ik legde de oude cilinder op de plint.

Mijn telefoon trilde in mijn jaszak. Joris. Ik liet hem trillen. Toen hij voor de tweede keer belde, stopte ik de telefoon in de la van het buffet, onder de kladblokjes van de supermarkt. Daarna ging ik aan de keukentafel zitten. Ik had de oude mok in mijn handen. Ik keek naar buiten, naar de straatlantaarn die al een week flikkerde. De thee was heet. Niemand vroeg me om melk te halen. Niemand vroeg me om de komkommer dunner te snijden. Ik dronk.

Like this post? Please share to your friends:
Odissea
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: