Femke zette de pan met gekookte aardappelen op tafel. Daan keek ernaar alsof ze een dode mus had geserveerd.
“En de jus?” Zijn vork prikte in de lucht. “Mijn moeder had altijd jus. Drie keer per week draadjesvlees. En een toetje.”
Femke haalde haar schouders op en schepte zichzelf op. “Je moeder werkte niet. Ik heb vandaag van half negen tot zes uur vergaderingen achter de rug op het gemeentehuis in Almelo. Daarna mocht ik de A35 op in de file. Jij was eerder thuis.”
“Ik ben manager logistiek,” zei Daan. “Weet je wel hoeveel dozen ik vandaag mentaal heb verplaatst?”
“Evenveel als ik rapporten, denk ik.” Femke sneed een aardappel doormidden. “We verdienen trouwens hetzelfde. Tot op de euro. Dat weet je.”
Daan leunde achterover. Zijn stoel kraakte vervaarlijk. De keuken van hun jaren-dertig woning in de wijk Ossenkoppelerhoek was niet groot. De geur van oude kat hing nog in de hoeken, ook al was Ster al twee maanden dood. Buiten op het pleintje schreeuwden kinderen door elkaar heen, hard en schel in het laatste novemberlicht.
“Vroeger was je anders,” zei Daan. “Toen we net samenwoonden kookte je nog. Echt. Met kruiden en zo.”
“Toen we net samenwoonden had jij ook nog geen verzameling velgen op het balkon die meer kost dan onze vakantie naar Texel.”
Daans neusvleugels trilden. De verzameling. Altijd de verzameling. Vier originele BBS-velgen voor een Opel Kadett GSI die hij al drie jaar niet had. Ze lagen onder een groen dekzeil op het balkon, wachtend op een auto die nooit zou komen.
“Ik bel mijn vader,” zei hij plotseling. Het klonk als een dreigement.
“Doe dat.” Femke veegde haar mond af met een servet. “Misschien kan hij je uitleggen waarom een volwassen man van achtendertig denkt dat aardappels vanzelf op tafel komen.”
Daan stond op, liet zijn bord staan en liep naar de woonkamer. Femke hoorde het piepen van zijn duim op het scherm. De televisie stond aan zonder geluid. Beelden van de grachten in Amsterdam gleden voorbij, toeristenboten in de miezer.
Drie dagen lang heerste er gewapende vrede. Daan waste niets af. Geen kopje, geen vork. De vaat stapelde zich op als een kunstwerk in de gootsteen. Op de vierde dag, om kwart over zes ’s avonds, begon Femke aan een actie die hij niet zag aankomen. Ze waste alleen haar eigen bord af. Haar eigen mok. Haar eigen bestek. De vuile spullen van Daan verhuisden naar een grote plastic emmer naast zijn stoel.
“Wat is dit?” Daan wees naar de emmer.
“Jouw bijdrage,” zei Femke. Ze zat op de bank, las een boek van Saskia Noort en sloeg een bladzijde om zonder op te kijken. “Je wilde toch niet afwassen?”
De emmer stond er de volgende dag nog. En de dag erna. Op dag zes rook de keuken zuur, naar oud frituurvet en schimmelend bestek. Daan vertrok die ochtend zonder ontbijt en reed rechtstreeks naar zijn ouderlijk huis aan de andere kant van Almelo, een nette twee-onder-een-kap aan de rand van het Weversbos.
Zijn vader, Henk, deed open. Vijfenzestig, gepensioneerd timmerman, handen als kolenschoppen. Hij leidde Daan naar de serre, waar een bakje koffie op hem wachtte. Daan stortte zijn verhaal uit. Alles. De aardappels zonder jus, de emmer met vuile vaat, de vernedering in zijn eigen huis. Zijn vader luisterde, nipte aan zijn koffie, en zei niets.
Tot hij opstond, naar de telefoon liep en een nummer intoetste.
“Femke? Met Henk. Ja, die vader. Zeg, heb je vanavond tijd? Kom eens langs. Nee, Daan is hier ook. Ja, ik dacht al dat je het druk had. Half acht? Mooi. Neem je die emmer mee?”
Daan verslikte zich in zijn koffie. “Pap?!”
Henk hing op. “Ik wil haar kant horen. Jij hebt jouw verhaal gedaan. Nu zij.”
Femke arriveerde precies om half acht. Zonder emmer, maar met een map onder haar arm. Ze gaf Henk een hand, negeerde Daan en ging tegenover hem zitten aan de grote eettafel. Moeder Ria zette zwijgend een pot thee neer en ging naast Henk zitten.
“Vertel,” zei Henk.
Femke sloeg de map open. “Oktober. Daan heeft een nieuwe soundbar gekocht, zeshonderdvijftig euro. We hadden afgesproken te sparen voor een nieuwe warmtepomp. November: hij is twee weekenden gaan karten met vrienden, kosten vierhonderdtwintig euro. December: een setje winterbanden. Voor de auto die hij niet heeft.”
“Het is een hobby,” mompelde Daan.
“Het is een patroon.” Femke sloeg de map dicht. “En ik werk veertig uur per week. Net als hij. Maar op de een of andere manier is de vaatwasser uitruimen mijn tweede baan. De was. De boodschappen bij de Jumbo. Het kattenvoer. Toen Ster er nog was, ging hij niet één keer naar de dierenarts. Ik heb haar in mijn eentje laten inslapen.”
Het bleef stil. De klok aan de muur tikte. Een klok met een Delfts blauw wijzerplaatje, een souvenir van een dagje Giethoorn.
Henk draaide zich naar zijn zoon. “Kom eens mee.”
Hij nam Daan mee naar de keuken. Opende het kastje onder de gootsteen. Geen emmer met vuile vaat. Wel een vaatwastabletten doosje, twee sponsjes en een flesje Dettol. “Zie je dat? Ik was af. Elke dag. Al vijfenveertig jaar. Jouw moeder kookt, ik ruim op. Dat was de deal. Daarom lagen er bij jou thuis wél altijd drie gangen op tafel. Omdat ik mijn handen vuil maakte.”
Daan staarde naar de sponzen. “Maar je zei altijd…”
“Ik zei nooit iets. Je keek niet goed.” Henk sloot het kastje. “Je hebt een vrouw die net zoveel werkt als jij. Die jou nergens van weerhoudt. En jij zet een emmer met rotzooi neer alsof ze de meid is.”
In de woonkamer zat Femke nog steeds aan tafel. Ria schonk haar thee bij. “Hij leert het wel,” zei ze zacht. “Henk moest ook leren. In het begin waste hij alles af met groene zeep, dat schuimde zo verschrikkelijk…”
Daan kwam terug, zijn vader achter hem. Hij ging niet zitten. Hij pakte zijn jas van de kapstok en liep naar de voordeur.
Femke bleef nog een half uur. Praatte met Henk en Ria over het werk, over de gemeenteraadsverkiezingen, over het huis dat ze samen met Daan wilde opknappen. Toen ze vertrok, drukte Henk haar de hand.
“Als hij weer begint, bel je mij.”
Femke reed terug door het donkere Almelo. De straatverlichting wierp oranje vlekken op het natte asfalt. Toen ze thuiskwam, brandde er licht in de keuken.
De emmer was verdwenen. De vaat was gedaan. Het aanrecht was schoongemaakt. Daan stond bij het fornuis. Hij roerde in een pan. Het rook naar… nootmuskaat.
“Zelfgemaakte sperziebonen,” zei hij. Zijn stem klonk onwennig. “En er ligt een sukadelapje in de oven. Recept van mijn moeder. Ik heb haar gebeld toen jij nog bij mijn ouders was.”
Op tafel stonden twee borden. Twee messen, twee vorken. Een klein vaasje met een vergeelde chrysant uit de tuin, die de novemberstormen nog had overleefd.
Femke hing haar jas op. Ze zei niets. Ze ging zitten. Daan schepte op. Het vlees was een beetje taai en de jus klonterde aan de randen, maar de aardappels waren gaar en de bonen knapten precies goed tussen haar tanden.
Halverwege de maaltijd keek Daan op. “Die emmer. Die heb ik weggegooid.”
“Mooi,” zei Femke.
“En die velgen. Die zet ik op Marktplaats.”
Femke legde haar vork neer. “Dat hoeft niet. Het gaat niet om de velgen. Het gaat om…”
“Ik weet waar het om gaat.” Daan prikte in zijn vlees. “Mijn vader heeft me een uur lang uitgelegd waar het om gaat. Over jou. Over hoe jij je moet voelen als de enige volwassene in huis. Ik had je eerder moeten horen.”
Femke zweeg even. Buiten begon het zachtjes te regenen, een fijne motregen die tegen het keukenraam tikte. De klok aan de muur, eentje van de HEMA die altijd vijf minuten achterliep, sloeg tien uur.
“De vaat,” zei Femke. “De vaat is vanaf nu echt jouw taak. Elke dag. Ook als je moe bent.”
“Afgesproken.”
“En de boodschappen delen we. Jij de ene week, ik de andere.”
“Oké.”
“En volgend jaar wil ik gewoon de warmtepomp.”
Daan keek naar zijn bord. Naar de laatste restjes jus. “Dat gaat niet lukken,” zei hij. “De velgen brengen niet genoeg op.”
“Dan bedenk je maar iets.” Femke stond op en zette haar bord in de gootsteen. “Je bent manager logistiek. Verplaats wat dozen.”
Ze liep naar de woonkamer, maar bleef in de deuropening staan. Daan zat nog aan tafel. Hij had zijn telefoon gepakt en typte iets. Het scherm lichtte op in het schemerdonker van de keuken.
“Wat doe je?”
“Marktplaats. Velgen. Vier stuks. BBS. Inclusief doppen.” Hij keek op. Zijn ogen zochten de hare. “Wat? Jij dacht dat ik het niet meende?”
Femke leunde tegen de deurpost. De regen kletterde nu harder. De oude verwarming tikte uitgerekend op deze avond niet één keer, alsof ook het huis de wapenstilstand had geaccepteerd. Ze keek naar haar man, die driftig op zijn telefoon typte, en zag iets wat ze in maanden niet had gezien: Daan die niet wachtte tot iets vanzelf gebeurde.
Boven hun hoofd, op het balkon, sloeg de regen op het groene dekzeil.
