Marianne verlaat zalencentrum De IJsselhof met haar koor na Gerrit’s belediging

Ik zat recht tegenover Gerrit toen hij de microfoon in zijn hand nam. Zijn voorhoofd glom, de bovenste knoop van zijn blauwe overhemd stond open. „Ik ga heel eerlijk zijn," zei hij. „Na zesentwintig jaar met Marianne zou ik best weer eens een jonger exemplaar naast me willen. Niet iemand die elke vrijdag met haar koor over grafstenen en kleinkinderen praat."

De zaal van zalencentrum De IJsselhof was afgeladen. Aan het einde van de tafel zaten de chauffeurs van zijn transportbedrijf. Die buiderden alsof ze de beste grap van het jaar hadden gehoord. Naast me zat onze zoon Ruben. Ik hoorde hem zijn vork op tafel leggen, maar ik was al met iets anders bezig. Ik legde mijn eigen vork naast mijn bord, met de punten naar beneden, precies op de rand van een servet. In de vitrine naast de bar flikkerde een tl-buis.

Achter de klapdeuren, bij de garderobe, stonden elf dames van mijn koor. Ze droegen de witte blouses die we in maart samen hadden gekocht bij de stoffenwinkel aan de Turfstraat. Riet, vierenzeventig, stond in de tweede rij. Sjaan, achtenzeventig, hield haar tasje voor haar buik. Doortje stond ernaast, met die ene broche in de vorm van een wilgentakje die ze altijd droeg.

Ik stond op. Ik liep om de tafel heen, langs de schalen met rauwkost en de flessen wijn die al bijna leeg waren. Bij de klapdeuren zei ik tegen Riet: „We gaan. Pakken jullie heel even je spullen."

Niemand stelde een vraag. Dat was het ergste. Riet pakte haar tas van de stoel, Sjaan streek haar rok glad, Doortje gespte haar handschoenen dicht. De rest liep achter me aan alsof we een brandoefening deden. In de garderobe hing een geur van afwas en natte wol. Ik gaf mijn kaartje aan de mevrouw achter de kapstok en hielp Sjaan met haar stofjas.

Buiten sloeg de wind meteen in mijn gezicht. Mei was nat en koud, en je kon de IJssel ruiken, een mengeling van klei, diesel en regen. Ik belde twee taxi's. Eén voor vier dames, één voor zeven. De eerste chauffeur zei dat hij vanaf de markt moest komen, daar was de weekmarkt nog aan het afbreken.

Terwijl we wachtten, raakte Sjaan mijn pols aan. „We begrijpen het, Marianne. Je hoeft je om ons niet druk te maken."

„Juist daarom," zei ik.

Ik wilde van alles zeggen, maar ik hield mijn mond. Riet staarde naar een poster van de voorjaarskermis aan de muur. Doortje tikte met haar handschoen op de rand van haar tas. Toen de taxi's kwamen, hielp ik iedereen instappen. De tweede chauffeur draaide de ramen dicht tegen de motregen. Ik zwaaide tot de achterlichten bij de brug over de Berkel verdwenen.

Daarna fietste ik naar huis. Het zadel was nat, mijn jas was nat, ik had geen zin om terug naar de zaal te gaan. Ik reed langs de IJsselkade, waar de gele lichtjes van de terrasboten in het water wiebelden. Bij de voordeur van ons huis aan de Horenstraat stak ik de sleutel in het slot. Mijn hand beefde niet. Binnen liet ik de verwarming op de stand staan die Gerrit altijd te hoog vond. Ik zette de waterkoker aan, maar schonk geen thee in.

Rond half twaalf belde Ruben. „Mam, ik ga met hem praten. Dat pik je niet." Hij klonk alsof hij tien jaar jonger was.

„Nee," zei ik. „Ga slapen. Het komt goed."

Ik ging met mijn jas aan aan de keukentafel zitten. Er lag een folder van de supermarkt over aanbiedingen voor kaas en wasmiddel. De klok boven de deur tikte. Ik dacht aan de miskraam in de negentiende week, aan Ruben die mij vanaf zijn achtste „mam" noemde, aan de zomer waarin wij samen in een vouwwagen aan de overkant van de IJssel hadden gestaan. En ik dacht: zesentwintig jaar.

Maandag stopte ik mijn spullen in twee weekendtassen. Gerrit kwam de keuken binnen, ongeschoren, met zijn broek los onder zijn buik.

„Waar ga je heen?" vroeg hij.

„Weg. Ik heb het gezegd."

„Marianne, dat was een grap. Dat weet je toch."

„Ik weet dat jij het een grap vond," zei ik. „Dat is precies waarom ik wegga."

Hij probeerde me tussen de koelkast en de tafel in de weg te lopen. „Ik ben een ouwe gek. Ik hou van je. En van jouw ouwe dametjes ook, dat heb ik gezegd."

Ik tilde mijn tas over de drempel. „Ik kom later voor de papieren."

Ik bleef drie weken bij mijn vriendin Esther in Deventer. Daarna huurde ik een etage boven een fietsenmaker aan de Barlheze. We scheidden zonder advocaten, alleen met een notaris en twee kopieën. Het huis aan de Horenstraat ging in de verkoop. Gerrit kocht een tweekamerappartement aan de rand van Zutphen. Ik kreeg genoeg voor een lichte bovenwoning aan de Zaadmarkt, met uitzicht op de toren van de Sint-Walburgiskerk. In de vensterbank zette ik een blauwe mok met de tekst „Beste moeder van de wereld" die Ruben jaren geleden voor mij had laten maken.

Het koor veranderde zijn naam van „Koor De Sleutelbloem" in „De IJsselzangeressen". Ik stemde zonder nadenken.

Een jaar later, op een donderdag in mei, repeteerden we in het wijkgebouw bij de voormalige gasfabriek. De ramen stonden open. Er waaide een geur van pas gemaaid gras naar binnen, en ergens op de gang piepte een steekwagen. Ik zag een schim door het glas.

Bij de deur stond Gerrit. Hij droeg een spijkerbroek, een schone blauwe blouse en had een kartonnen map onder zijn arm. Zijn bedrijf had iets met de verbouwing van de garage achter het gebouw, had ik van Ruben gehoord. Hij was daar om een handtekening te halen, maar hij bleef naar mij kijken als iemand die op een antwoord wacht.

„De administratie zit achteraan, aan de rechterkant," zei ik.

Hij deed een stap dichterbij. „Ik wilde even…"

„Gerrit, wij staan midden in een repetitie."

Hij keek naar de map, naar de deur, naar mij. Toen liep hij de gang in. Door het smalle raam naast de klapdeuren zag ik hem buitenkomen, langs zijn witte bestelbus lopen. Hij legde de map op het dashboard en pakte zijn telefoon.

Ik ging niet naar buiten. Ik zette mijn tas op de stoel naast de piano. De bank-app stond nog op de gezamenlijke betaalrekening van G. van den Berg en M. van den Berg-Vos. Er stond tweehonderdzestig euro op. Ik tikte het bedrag naar de rekening van De IJsselzangeressen. Drukte op opheffen. De app vroeg nog een keer of ik zeker wist. Ik bevestigde met mijn duim.

Buiten bleef Gerrit naast zijn bus staan, met zijn telefoon in beide handen. Even bewoog hij niet. Toen duwde hij het portier open en liep met een strakke pas naar de administratie.

Ik stopte de telefoon terug in mijn tas. Op de lessenaar lag de partituur van „Het Dorp". Ik pakte de dirigeerstok en hief mijn hand.

„Vanaf maat drie, dames."

De muziek zette in.

Like this post? Please share to your friends:
Odissea
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: