Ik knalde het derde plastic bakje op het aanrecht. Het deksel wilde niet meteen dicht, dus ik duwde het met mijn volle gewicht aan alle hoeken tegelijk.
“Voed jij je moeder maar van de patat, Daan. Ik ben kok voor een gezin, niet voor een gaarkeuken.”
Daan liet zijn telefoon op de bank vallen. “Het zijn restjes, Sanne. Die gooi je anders toch weg.”
“Restjes? Gisteren heeft ze de halve ovenschotel meegenomen. Eergisteren de macaroni. En zaterdag de appeltaart waar ik drie uur aan heb staan bakken.”
Hij wreef in zijn nek. “Mijn moeder woont alleen. Ze is moe. Wat is daar mis mee?”
“Al drie weken komt ze elke dag om twee uur binnen. Ze blijft zitten tot Milan in bed ligt. En daarna vult ze haar leren tas met ons avondeten. Dat is geen moeheid. Dat is honger.”
Daan schudde zijn hoofd. “Je overdrijft.”
Ik draaide de kraan open en liet het water over de schaal lopen. Buiten blafte de hond van de buren tegen een losse vuilniszak. Het was kwart voor acht in ons rijtjeshuis in Zuilen, en ik voelde mijn kaken zo strak staan dat ze er pijn van deden.
Vroeger was Corry niet zo. Ze stond op de drempel met een rol koek van de banketbakker en nam Milan mee naar de kinderboerderij in het Griftpark. Ze controleerde nooit of er stof op de kast lag. Nu at ze twee keer op en vroeg met neergeslagen ogen of er nog iets over was voor de lunch op kantoor.
“Bij ons op kantoor hebben ze een nieuwe combimagnetron gezet,” zei ze gisteren, terwijl ze een bakje met gebakken krieltjes in haar tas schoof. “Ik lunch samen met een collega. Scheelt me de kantine.”
Corrie was nooit iemand die in een kantine at. Ze was zelfstandig boekhouder, al twintig jaar. Haar kantoortje aan de Amsterdamsestraatweg had twee archiefkasten en een koffieapparaat dat ze trots aanzette als ik langskwam. Ze droeg mantelpakjes, geen oude badjas.
De volgende ochtend vertrok Daan om zeven uur naar een beurs in Houten. Milan sliep nog. Ik had een roostervrije dag. Ik pakte de tekeningen van Milan en een pot jam die mijn moeder uit de Betuwe had meegenomen. Toen ik de voordeur van Corry’s flat in Zuilen opendeed, hoorde ik haar pantoffels over de gang schuifelen.
Ze opende de deur in een oude badstof kamerjas die ik nooit eerder had gezien. Haar gezicht was grauw.
“Sanne? Waarom belde je niet?”
“Ik was in de buurt.” Ik stapte langs haar naar binnen. “Ik heb tekeningen van Milan bij me. En jam.”
Ze probeerde de gang te blokkeren. “Het is een rommel. Ik heb de was net opgehangen.”
De keuken was niet rommelig. Er lag geen kruimel op het aanrecht. De tegels glansden. Op het gaskomfoor stond geen enkele pan. Waar eerst een rieten broodmand stond, lag nu alleen een opgevouwen theedoek.
Ik trok de zware deur van de koelkast open. Het licht sprong aan. Op de glazen planken stond een pot mosterd, een uitgedroogde citroen, en twee bakjes. Mijn bakjes. Eén van de bakjes had ik gisteren gevuld met kipfilet en erwtjes. Nu zat er nog iets onderin. Het andere was leeg. Geen melk, geen kaas, geen eieren, geen boter. Zelfs geen flesje augurken.
Corrie stond achter me en plukte aan de ceintuur van haar kamerjas. “Ik was van plan morgen naar de markt te gaan. Ik heb alles opgemaakt voordat het beschimmelde.”
Op de keukentafel lag een lege strip amlodipine 10 mg. Daarnaast een brief van de woningbouw met een huurachterstand van 765,40 euro. Rode cijfers aan de rechterkant.
“Ik ga maar weer. Ik moet koken voor Milan en Daan.”
Ik liep om haar heen alsof ze een kachel was in een te smalle gang. Ze bleef midden in de keuken staan, kleiner dan ik haar kende.
Die avond, toen Daan thuiskwam en zijn jas uittrok, begon ik te praten.
“Jij zei dat ze naar de markt zou gaan. Haar koelkast is leeg. Er ligt alleen een pot mosterd. Geen brood, geen eieren. De rekening van de woningbouw is twee maanden achter. En er liggen lege strips van die bloeddrukpillen op tafel.”
Daan liet zijn werktas op de vloer vallen. “Dat slaat nergens op. Ze heeft klanten genoeg. Ze heeft net een nieuwe opdracht aangenomen.”
“Wat voor opdracht? Ze heeft al drie weken geen kantoor meer gezien. Daarom komt ze hier elke dag eten.”
Zijn gezicht werd vaal. “Kom. Nu.”
Bij Corry’s flat stond Daan voor de open koelkast en zei niets. Hij staarde naar de pot mosterd en het halfvolle bakje met kipfilet alsof iemand hem in zijn borst had getrapt.
“Mam, wat is er aan de hand?”
Corry ging aan de houten keukentafel zitten. “Niets. Ik red het wel.”
Daan hurkte voor haar. “Met restjes van Sanne? Vertel het.”
Ze sloeg haar ogen neer. “De grote klant uit Nieuwegein heeft zijn complete administratie overgezet naar dat jongere kantoor. Eerst dacht ik dat het tijdelijk was. Toen belde de tweede klant. En de derde. Voor ik het wist had ik lege dagen. Ik heb overal gesolliciteerd. Nergens aangenomen. Ze zeggen dat ik te oud ben. Het uitzendbureau bood me nachtdiensten aan als receptioniste. Met mijn rug kan ik geen tien uur achter elkaar zitten.”
“Waarom heb je niks gezegd?” De stem van Daan brak. “We hadden kunnen helpen.”
“Omdat jullie zelf een hypotheek hebben. En Milan groeit. Ik wilde niet als een oude koe bij jullie aan de deur komen.”
Ze wees naar de tabletten. “De bloeddruk is te hoog. Ik heb de pillen om de dag genomen. Ze kosten bijna zeven euro per dag. Ik dacht dat ik met duizend euro per maand kon rondkomen. Maar de huur is al zeshonderd twintig. De energiekosten zijn verdubbeld. Ik heb me vergist.”
Ik opende de koelkast opnieuw en zette de pot mosterd recht. Mijn handen trilden. Dat had ik van mezelf niet verwacht.
Daan pakte haar jas van de kapstok. “Genoeg. We gaan naar de supermarkt. Nu.”
Corry schudde haar hoofd. “Jongens, dat hoeft niet…”
“Jas aan.” Hij hield de mouwen al open.
In de Jumbo aan de Croeselaan vulden we de kar tot de rand. Brood, melk, eieren, kaas, kipfilet, rijst, pasta, groenten, fruit, diepvries spinazie, een doosje chocolademousse. Daan gooide er nog een tweede pak koffie bij en een rol beschuit, omdat zijn moeder dat altijd bij de thee wilde.
Terug in haar flat pakte ik mijn telefoon.
“Geef me je rekeningnummer, Corry.”
Ze schudde haar hoofd. “Nee, Sanne. Dat is lief, maar…”
“Nu.”
Daan keek op uit de koelkast. Hij had een pak halfvolle melk in zijn hand. “Doe maar wat ze zegt. Mijn vrouw heeft gelijk.”
Corry noemde het nummer. Ik typte het in. Ik koos bedrag 275 euro, frequentie maandelijks, startdatum de eerste van de volgende maand. Omschrijving: boodschappen. Toen ik op bevestigen drukte, hoorden we alle drie de telefoon een korte piep geven.
“Dat is voor eten. Geen huur. Geen zorg. Geen schuld. Eten. Elke maand.”
Corry staarde naar het scherm. Haar lippen bewogen, maar er kwam geen geluid.
“Dat is te veel.”
“Het is minder dan wat jij vroeger aan Milans verjaardagscadeaus uitgaf.”
De volgende ochtend om half acht trilde mijn telefoon. Corry had een bericht gestuurd: “Ik heb de Jumbo-app geüpdatet. Er is een actie voor koffie. Zal ik een pak voor jullie meenemen?”
