Henk zette de vuilniszak naast de ondergrondse container en bleef staan. Bovenaan stak het oude rieten kattenmandje uit, dat hij twintig minuten geleden nog bij het grofvuil had willen smijten. De rietjes waren verschoten, de kussensloop versleten. Het rook nog vaag naar Mies. Naar haar warme, geruststellende geur die hem dertien jaar lang elke ochtend had begroet.
Dertien jaar. Sinds die regenachtige middag in maart, toen hij haar had gevonden. Of zij hem. Dat was kort nadat Ria was gestorven, en Henk doolde door de stad alsof hij zelf niet meer bestond. Bij het winkelcentrum aan de Verlengde Hereweg zat een klein grijs poesje op een geparkeerde fiets, doorweekt en trillend. Twee knullen stonden er met een stok naar te prikken. Henk hoorde zichzelf snauwen nog voor hij er erg in had. Hij tilde het beestje op, stopte het in zijn jas en liep naar huis. Geen idee waarom. Het leek wel of Ria hem een duwtje gaf.
Vanaf dag één was Mies de baas in het appartement aan de Floresstraat. Ze koos de beste stoel, commandeerde etenstijd en dwong hem ’s ochtends vroeg op te staan door met haar pootje op zijn ooglid te tikken. Henk mopperde dat hij eindelijk van zijn pensioen wilde genieten, maar als hij terugkwam van de supermarkt en die pluizige kop achter het raam zag, glimlachte hij toch.
De afgelopen maanden sliep ze meer. Haar sprong op de vensterbank werd een klauterpartijtje. Vanochtend, toen hij wakker werd, lag ze in haar mandje en reageerde niet meer. Ze was gewoon gestopt. Henk had op de vloer gezeten, met haar koppie in zijn hand, tot zijn dochter Linda belde en hij zijn stem moest zoeken.
En nu stond hij hier, op de stoep van een portiekflat, met die vuilniszak. Het mandje kon hij niet weggooien. Hij bukte, zette het naast de glasbak en duwde er de oude plaid in die hij gisteren nog in de droger had gestopt. "Vooruit, misschien heeft een ander er wat aan," mompelde hij tegen niemand. Toen draaide hij zich om en slofte naar binnen, zijn ogen rood en droog.
De kat zat op een muurtje aan de overkant. Ze had een rood-witte vacht vol vlekken, een rafelig rechteroor en een wantrouwige blik. Vijf jaar zwierf ze al door deze buurt. Ze wist dat de mensen met blikjes soms te vertrouwen waren, en dat de rest schopte. Op de man die het mandje neerzette, had ze al eerder gelet. Hij had die droevige loomheid van iemand die 's avonds vergeet de lampen aan te doen. Ze wachtte tot hij de deur achter zich dichttrok, sprong omlaag en sloop naar het ding.
Het rook naar een andere kat. Naar een huis. Naar veiligheid. Ze snuffelde lang, liep er een paar keer omheen en ging toen in het mandje liggen. Haar magere lijf paste precies. Iemand had ooit een deken voor haar neergelegd. Zoiets was nog nooit gebeurd. Ze bleef de hele nacht liggen, met haar neus op het versleten kussentje, en spinde voor het eerst in jaren.
De volgende ochtend stond Henk op zijn balkon en zag het beestje in het mandje liggen. Rood-wit, met diezelfde gehavende uitstraling als de portiek zelf. Mevrouw De Vries van driehoog was bezig haar vaste ochtendronde te doen. Ze wees naar het mandje. "Dat is Vlekje. Ze zit hier al een tijdje, maar niemand komt dichtbij. Heeft u haar dat mand gegeven?" Henk haalde zijn schouders op. "Ik had het over," zei hij en wilde naar binnen stappen, maar mevrouw De Vries ratelde door. "Ach, het arme dier. Ze is zo schuw. Van de week gooiden er nog twee jochies met kiezelstenen naar haar. Kunt u zich dat voorstellen?"
Henks hand om de balkonleuning verstrakte. "Waar zijn die kwajongens?" Mevrouw De Vries wees vaag naar de Willem Frederikstraat. "Zal wel niks uithalen," mompelde Henk, maar hij trok zijn jas aan en liep naar beneden. Hij vond ze op het pleintje, twee jongens van een jaar of elf die met een katapult op een leeg blikje mikten. "Zo, zijn jullie hier?" bulderde hij. Zijn stem droeg over het hele plein. "Als ik nog één keer zie dat jullie een dier lastigvallen, dan sleep ik jullie aan jullie oren naar je moeder. Begrepen?" De jongens staarden hem met open mond aan en holden weg, de katapult nog bungelend uit een achterzak.
De lapjeskat, die onder een geparkeerde auto was gekropen, had alles gezien. Ze begreep niet wat die grote man met die luide stem precies had gedaan, maar ze voelde dat het niet tegen haar was. Dat het vóór haar was. Ze begon zijn schema te leren. Elke ochtend om half acht klonk de lift, dan de zware voetstappen over het tegelpad. Ze ging op het muurtje zitten en wachtte. Als hij langsliep, deed ze alsof ze daar toevallig zat. Hij zei dan dingen als "Goedemorgen, mevrouwtje," of "Lekker weertje, hè?" Eenmaal had hij "Zo, Koningin" gezegd, en dat woord bleef in haar kop zitten. Koningin. Het klonk veel deftiger dan Vlekje.
Zo verstreken weken. De zomer kwam, en daarna een gouden september. Henk zette elke dag een bakje brokjes onder de conifeer, en de kat at terwijl hij op een meter afstand toekeek. Soms praatte hij over Ria, over Mies, over de laminaatvloer die hij al drie jaar wilde leggen. De kat knipperde traag met haar groene ogen en luisterde.
Op een dinsdagochtend, halverwege oktober, gebeurde er iets wat Henks hele schema doorbrak. Hij kwam niet naar buiten. De kat zat om half negen nog op het muurtje en staarde naar de deur. Ze at niet van de brokjes die hij de vorige avond had neergezet. Rond tienen hoorde ze een sirene die het hele blok vulde. Een ambulanceboel. Twee verplegers renden naar binnen met een brancard. De kat klom in de plataan voor het balkon van Henk en keek naar zijn raam. De vitrage bewoog niet.
Lang nadat de ambulance hem had weggebracht met zwaailichten en loeiende motor, bleef ze in de boom zitten. Pas toen het donker werd, kroop ze in het mandje. Ze had er de pest over in. Het was zijn taak om haar te groeten, niet andersom. Dagen gingen voorbij, en ze weigerde te accepteren dat hij niet terugkwam. Ze bleef elke ochtend op het muurtje zitten, met haar neus in de steeds flauwer wordende geur van het oude kussen.
Henk lag in het Martini Ziekenhuis aan een infuus en droomde. Hij droomde van Mies, die niet langer grijs en oud was, maar gladharig en springerig. Ze zat naast hem op het hoofdkussen en duwde met haar poot tegen zijn wang. "Ik ben er, lieverd," fluisterde Henk. Mies miauwde en keek naar de deur van de ziekenkamer. Daar, half verscholen achter het gordijn, zat de rood-witte lapjeskat. Ze keek Henk aan en miauwde niet. Mies duwde haar zachtjes naar voren en loste op in het licht van het raam. Henk voelde een brok in zijn keel. "Ik begrijp het," zei hij. Hij werd wakker met een dikke traan op zijn kussen.
Na elf dagen mocht hij naar huis. Linda haalde hem op en wilde mee naar boven, maar Henk stuurde haar weg met "Ik red me wel." Hij leunde op zijn wandelstok en liep de stoep op. Het was stil. Het mandje stond nog naast de glasbak, leger dan hij hoopte. "Koningin?" zei hij zachtjes.
Uit de bosjes links van de deur rende ze op hem af. Haar vacht was magerder, het rafeloor hing nog schever, maar haar ogen waren helder en fel als lentegras. Ze bleef abrupt stilstaan op een halve meter, aarzelde, en wreef toen met haar flank tegen zijn broekspijp. Een lange, langzame strijking, alsof ze een contract ondertekende. Henk boog moeizaam voorover en krabbelde haar tussen de oren. "Heb je op me gewacht, meisje?"
Hij hield de portiekdeur open. De kat keek naar de drempel, naar het stoffige trappenhuis, naar hem. Ze had zichzelf altijd beloofd dat ze nooit meer een huis binnen zou stappen. Deurposten betekenden vallen, opsluiting, dat ze na drie dagen weer op straat gezet werd. Maar deze man had haar het mandje gegeven. Hij had de stenen laten verdwijnen. Hij was teruggekomen.
Ze tilde haar poot op en stapte over de drempel. Henk sloot de deur achter hen en in de stilte van het trappenhuis begon de kat, voor het eerst zonder enige schroom, te spinnen als een oude naaimachine.
