Een gerust hart

Mijn moeder lag bijna vijf uur op de koude tegelvloer. Haar telefoon stond onaangeroerd op het aanrecht in de keuken, een meter of vier bij haar vandaan. Ze had met een schoen op de verwarmingsbuis geslagen, maar het was de buurvrouw pas de volgende ochtend opgevallen. De sleutel paste niet meer omdat de nachtschoot erop zat, dus de woningbouw heeft de deur moeten forceren. Ze lag in haar flanellen nachtjapon, met een verschoten kussen van de bank onder haar hoofd dat ze zelf naar beneden had weten te trekken. Toen ik het krakkemikkige ziekenhuisbed in de eerste hulp van het Dijklander in Hoorn binnenliep, keek ze me aan en zei ze alleen: "Zeur niet. Ik leef nog."

Niets gebroken, godzijdank. Alleen een diepe kneuzing in haar heup, een bloeddruk die door het dak schoot en uitdrogingsverschijnselen. Ik heet Marjolein, ik ben eenenzestig. Mijn moeder heet Helena, ze is achtentachtig. Tot vorig jaar woonde ze nog zelfstandig in haar portiekflat in Amsterdam-Noord, op driehoog zonder lift. De keuken was zo smal dat de koelkastdeur niet helemaal open kon, en er hing nog een verstikkend bruin bloemetjesbehang dat ze weigerde te laten verwijderen. "Dat zit er al vijftig jaar," zei ze altijd, "en het zit er nog vijftig jaar." Ze was koppig tot op het bot. Op haar tachtigste stond ze nog met de bolderkar bij de Lidl. Toen ze vierentachtig was, sloeg ze mijn hand weg als ik haar boodschappentas wilde tillen. Ze bakte appeltaarten waar de hele galerij van mee-at en voelde zich diep beledigd als ik thuisbezorgd een maaltijd liet komen. "Zolang ik nog zelf een pan op het vuur kan zetten," brieste ze dan, "beschouw je me niet als invalide."

Ik reed drie keer per week bij haar langs vanuit Purmerend. Medicijnen checken, bed verschonen, dweilen, de bloeddrukmeter om haar bovenarm klemmen. Soms vroeg ik mijn dochter Lisbeth of ze na haar werk even wilde aanwippen, zij woonde in de Pijp, een kwartiertje met de tram. Maar Lisbeth heeft twee kinderen, Fenna van tien en Ties van zeven, een baan als radioloog in het VUmc, een overvol schema van zwemles, hockey en dramalessen. Ik probeerde haar er zo min mogelijk mee lastig te vallen.

Alles kantelde na die nacht op de vloer. Na een week observatie in het ziekenhuis opperde ik om haar bij mij in te laten trekken. Ik heb een ruime eengezinswoning, mijn zoon woont al jaren in Gent. Ze weigerde botweg. "Ik word een koffer die jij in de logeerkamer zet, Marjo." Eerst was ik kwaad, voelde me afgewezen. Maar toen drong het tot me door: ze was doodsbang om de regie te verliezen over de laatste vierkante meters waar zij nog de baas was. We regelden dus personenalarmering, een rollator van de thuiszorgwinkel en ik stopte een reservesleutel in het bloempotje bij de buurvrouw. Ik ging er elke dag heen. Voor dag en dauw in de spits van de N247, vóór mijn parttime baantje bij het streekarchief. Pillen klaarleggen, ontbijt maken, een bord warm eten voor tussen de middag. Na mijn werk weer de auto in, terug naar Noord. Even langs de Dirk voor boodschappen en daarna door naar huis, waar ik vaak rond half tien uitgeblust op de bank neerplofte met een bord yoghurt omdat ik was vergeten te lunchen.

Ze voelde zich schuldig, dat zag ik. "Kom morgen nou eens niet," zei ze dan. "Ik verroer me niet." Maar ik kön niet wegblijven. Het begon te schuiven in haar hoofd. De dagen liepen door elkaar, ze nam haar avondmedicatie weleens bij het ontbijt. Eén keer zette ze de vlam van het gasfornuis aan en vergat ze de pan erop te zetten, een andere keer stond ze ineens op haar pantoffels bij de brievenbussen in de hal omdat ze meende dat ze naar haar werk moest, een basisschool waar ze dertig jaar geleden met prepensioen was gegaan. Na haar tweede valpartij, dit keer over de drempel van het balkon, was de behandelend arts in het BovenIJ heel duidelijk: alleen wonen is geen optie meer.

Lisbeth stelde een particuliere zorgverlener voor. Via een bureau in Zuid vonden we een vrouw, vier uur per dag voor vijfenveertig euro. Mijn moeders AOW en pensioentje waren niet toereikend voor meer uren, en mijn eigen spaargeld begon hard achteruit te lopen. We kwamen overeen dat de hulp doordeweeks kwam en ik de weekenden en avonden dichtte. Lisbeth kwam op zondag, soms met de kinderen. Mijn moeder fleurde op van de drukte, maar raakte na een uurtje overprikkeld. Ze snauwde dat de televisie te hard stond, noemde Fenna hardnekkig 'Jolanda', en die spleetoog blik van Ties maakte haar onrustig. Toen Fenna een keer begon te huilen, snapte ik dat het voor de kinderen ook niet niks was.

De eerste hulp vertrok na twee maanden. Mijn moeder betichtte haar van diefstal van een zilveren suikerpot die ik later zelf achter de magnetron vond, ze verborg de reservesleutels en weigerde hulp bij het douchen. De tweede hield het drie weken vol. De derde wilde het alleen doen voor het dubbele tarief. Toen ben ik gaan zoeken. In het diepste geheim, op een incognitotabblad, met een brok in mijn keel, typte ik "kleinschalig wonen dementie Noord-Holland". De eerste locatie rook je al bij binnenkomst, een weeë geur van urine en afgekoelde erwtensoep. De tweede was een zaal met zes bedden en één gordijn dat als privacy moest dienen. Bij de derde had de manager het alleen maar over het all-in tarief en vroeg hij geen seconde naar wat mijn moeder at of of ze nog zelf kon lopen. Na elke bezichtiging zat ik in mijn Peugeot met draaiende motor gewoon een kwartier voor me uit te staren terwijl de tranen over mijn wangen liepen.

Uiteindelijk vond ik een villa in de buurt van Schagen, net buiten de bebouwde kom. Het was duurder dan de rest, maar er was een tweepersoonskamer vrij met uitzicht op een weitje met schapen, er was 24 uur per dag een verpleegkundige en er hing niet die ziekenhuislucht die in mijn neus bleef hangen. Ik ging er onaangekondigd naartoe en raakte aan de praat met een mevrouw die er al een halfjaar woonde. "Het is geen hotel," zei ze, "maar als ik 's nachts op de knop druk, staat er binnen vijf minuten iemand. Dat is meer dan mijn kinderen thuis konden beloven." Precies dát moest ik horen. Mijn broer uit Maastricht kon tienduizend per jaar bijleggen, dat was een groot gebaar van hem. De rest van de maandelijkse bijdrage kwam uit de verkoop van haar oude Opel Kadett die al zeven jaar stof stond te happen in de garagebox, en uit mijn eigen portemonnee.

Toen ik het haar vertelde op een van haar heldere dagen, staarde ze me een hele tijd zwijgend aan. Toen vroeg ze: "Ben je moe, kind?" "Nee." "Liegen. Ik ken jou."

Ik begon over de tuin, het lokaal gebakken brood, de wekelijkse pedicure, de geheugentraining. Ze luisterde, haar vingers trommelden op de armleuning van haar stoel. Toen zei ze zacht: "Ik dacht dat ik in mijn eigen huis zou sterven." Die zin zit als een splinter onder mijn huid. Op de dag van de verhuizing stond ze al om zeven uur 's ochtends in haar winterjas klaar, terwijl het busje pas om elf uur zou komen. Op haar schoot een weekendtas met haar ochtendjas, twee fotoalbums en haar geluksmok van Blond Amsterdam. Fenna vroeg: "Waar gaat omi heen?" Ik was nog aan het zoeken naar eenvoudige woorden, maar Lisbeth was me voor: "Naar een huis waar ze goed voor haar kunnen zorgen." Ties vroeg: "Waarom woont ze dan niet bij oma Marjolein?"

Lisbeth keek me strak aan: "Omdat oma Marjolein nu eindelijk een beetje voor zichzelf wil gaan leven."

Het was alsof er een steen door de kamer vloog. Mijn moeder, in haar jas, liet haar kin op haar borst zakken. "Lis, niet doen." Maar Lisbeth trok haar wenkbrauwen op terwijl ze de kinderen alvast naar de gang dirigeerde. "Wat niet? Het is de waarheid. Je zei zelf dat je eronderdoor dreigde te gaan." Op de gang siste ik haar toe: "Waarom zeg je zoiets waar ze bij zit?" En zij siste terug: "Omdat het eindelijk uitgesproken wordt. Je kunt wel doen alsof dit een puur medische beslissing is, maar jij krijgt nu ook je weekenden terug."

En weet je, dáár ging het wringen. Ze had gelijk. Natuurlijk krijgt de mantelzorger zijn leven terug, dat is niet het viespeuk-geheim dat niemand mag benoemen. Maar het was de toon, het woord 'eindelijk'. Alsof ik jaren had gesmeekt om van haar af te zijn. Alsof die dagelijkse files, het gerommel met die stomme rollator, de gebroken nachten na valpartijen, de stille paniekaanvallen op de parkeerplaats van het ziekenhuis… alsof dat een keuze was die ik makkelijk kon wegzetten. "We hadden haar toch in huis kunnen nemen," zei Lisbeth. "Ik heb het haar aangeboden, Lisbeth. Tien keer. Ze wilde het niet." Lisbeth stak haar armen over elkaar. "Nou, dan hebben we haar dus niet in de steek gelaten. Dan is het haar eigen keus."

Twee maanden daarvoor was ze drie keer langs geweest. Dat is geen verwijt, dat is een gegeven. Ze heeft een druk bestaan en ik ben allang blij dat ze überhaupt komt. Maar waarom is het zwart-wit? Waarom kan ik niet én kapotmoe zijn én verdrietig dat mijn moeder in een verzorgingshuis aan de andere kant van de polder woont? Waarom is haar logica: óf je beukt jezelf helemaal de vernieling in en je neemt haar in huis tot je rug het begeeft, óf je bent een kouwe kikker die zijn moeder dumpt zodat je zelf naar de sauna kan?

In de auto naar Schagen zat ze stilletjes voor zich uit te staren met die mok in haar handen. "Is Lisbeth boos op me?" vroeg ze. "Nee. Ze maakt zich zorgen." Mijn moeder glimlachte flauw en keek naar de weilanden die voorbijgleden. "In deze familie maakt iedereen zich altijd zorgen, maar het zijn meestal andermans handen die het werk moeten doen."

De eerste weken waren een hel. Ze belde om de haverklap, smeekte of ik haar op wilde halen, hing tien minuten later weer op en was vergeten dat ze gebeld had. Ik bleef om de dag gaan, met gehaktballen van de Hema en een tube Weleda voor haar droge handen. Na een maand of twee viel het kwartje. Ze had een vriendin gemaakt, mevrouw De Vries, met wie ze eindeloos kon ruziën over of het raam open of dicht moest. Verder kon je haar om vier uur 's middags niet storen want dan was er bingo en "met die vrouw van nummer acht wil ik niet in één ruimte zitten". Ik was een keer te vroeg en stond klaar voor een wandeling door de binnentuin, maar ze wimpelde me af: we zouden net gaan kaarten.

Ik ben de gang op gelopen en heb bij de kapstok tegen de muur geleund. Ik huilde van pure opluchting. En tegelijkertijd schaamde ik me kapot dat ik opluchting voelde.

Lisbeth kwam in het begin niet op bezoek. Ze vond het "heftig voor de kinderen, al die vreemde oude mensen". In het najaar stond ze er ineens toch, met Fenna en Ties aan haar zij. De ontmoeting was hartelijk, maar op de terugweg in de auto, ergens ter hoogte van Heerhugowaard, stelde Fenna de vraag die blijkbaar was blijven hangen. "Oma, is het waar dat je omi naar dat huis hebt gebracht zodat jij lekker kan uitrusten?"

Die woorden. Het filter van haar moeder, rechtstreeks in de mond van mijn kleindochter. "Nee," zei ik. "Ik heb haar naar een plek gebracht waar altijd iemand is als er iets gebeurt. Zodat ze niet meer vijf uur alleen op de grond hoeft te liggen." Fenna dacht even na, een diepe frons boven haar neus. "En als jij later oud bent? Doet mama jou dan ook naar zo'n huis?"

Lisbeth graaide haar telefoon van het dashboard en beet haar toe: "Nu is het klaar met die vragen, Fenna." Maar ik bleef stil. Omdat ik het antwoord niet weet. Omdat ik niet kan beloven dat mijn dochter haar carrière en haar gezin opzij zal schuiven om te voorkomen dat ik ooit in zo'n kamer beland. En eerlijk gezegd weet ik niet eens of ik dat van haar zou willen. Wat is erger: in een verzorgingstehuis zitten en geprikkeld raken van rollators en bingomiddagen, of je eigen kind langzaam zien bezwijken onder de zorg voor jou, met stijgende bloeddruk en een versleten onderrug, totdat het medelijden omslaat in een soort stille wanhoop zodra je haar naam op het scherm ziet?

Mijn moeder woont er nu vijftien maanden. Ik ben er twee, soms drie keer per week. Met kerst neem ik haar mee naar Purmerend, maar tegen de avond wordt ze onrustig van de trap, van het gegil van de kinderen, van de onvertrouwde bank. Vaak vraagt ze zelf of ik de auto weer wil starten. Lisbeth maakt nu een maandelijkse bijdrage over, vierhonderd euro, zonder morren. Maar nog steeds, met een bepaalde blik, ergens op een zondagmiddag, zegt ze: "Lekker hè mam, dat je nu tenminste lééft." En het blijft steken. Want ik hoor wat ze niet hardop durft te zeggen: dat mijn broodnodige rust betaald is met de eenzaamheid van haar oma.

De week voor Kerstmis ben ik nog even langs geweest. Ik was laat, de bingo was al afgelopen. Ik trof haar in de recreatiezaal waar een radiozender kerstklassiekers uitzond. Ze zat met mevrouw De Vries naar de verlichte schapen in de wei te kijken, haar Blond Amsterdam mok naast zich op tafel. Ze keek op, zag me in de deuropening staan, en zei tegen haar vriendin, luid en helder, zonder een spoor van verwarring: "Kijk, daar heb je mijn dochter. Die heb ik grootgebracht. Altijd een harde werker geweest, nooit te beroerd om haar handen uit de mouwen te steken."

Ze was me niet vergeten. En voor even, in die schemering met de geur van dennenappels en sloffende pantoffels op het zeil, voelde ik dat ik geen verraad had gepleegd. Ik had een belofte waargemaakt: haar laten vallen was geen optie, maar haar laten vallen door zelf onderuit te gaan ook niet.

Like this post? Please share to your friends:
Odissea
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: