Ik weet nog precies hoe het voorjaar dat jaar ineens doorbrak. Drieëntwintig maart, een zaterdag, en het had de hele week geregend alsof de Lek overstroomde. Thijs keek naar buiten, naar het streepje blauw boven de daken van onze straat in Leiden, en zei: “Ik ga even bij de Oude Singel zitten. Even water ruiken.” Hij kuste me op mijn haargrens en liep de deur uit zonder jas. In zijn oude linnen overhemd.
Hij ging op een bankje zitten, stak een sigaret op, en keek naar de kastanjebomen die net begonnen uit te lopen. Een bloedprop in zijn hals heeft hem daar weggehaald. Gilde hij niet, schrok hij niet. De voorbijganger die hem vond, dacht dat hij sliep. Zevenendertig jaar. Onze kinderen, Fenna en Bram, waren zeven en vier.
De eerste maanden na de begrafenis lopen in mijn hoofd als een grijze streep. Werken, opvang, brood smeren, tanden poetsen, en elke avond in bed in de leegte praten alsof hij op de andere kussenhelft nog lag te ademen. Onze kater Moos, een groot zwart beest van elf, verroerde zich nauwelijks van Thijs’ fauteuil. Daar lag hij, diep in de versleten ribfluwelen zitting, met zijn neus tegen een trui die ik bleef laten liggen tot de geur verdampte.
Twee jaar later, dag op dag, kwam Moos ineens naar boven.
Het was ver na bedtijd voor de kinderen. Ik lag wakker en luisterde naar de koelcel van de Plus aan de overkant die aansloeg en weer afsloeg. Toen hoorde ik zijn zware lijf op de trap, trede voor trede, heel anders dan normaal. De slaapkamerdeur piepte open, en even later voelde ik hoe hij zich op het voeteneinde liet ploffen. Moos sliep nog nooit bij mij. Die nacht viel ik voor het eerst sinds maanden binnen een minuut in slaap.
En ik zag Thijs.
Hij stond bij onze oude boekenkast in de huiskamer, met zijn vingers over de ruggen van de pockets, zoals hij altijd deed als hij niet kon kiezen wat hij wilde herlezen. Ik stormde op hem af en greep zijn schouders. Die waren warm, vochtig bijna. En ik rook zijn geur: koffie en houtlijm van zijn werkplaats. “Lotte,” zei hij, en hij lachte dat scheve lachje. “Fenna schrijft nu met vulpen, hè?” Alsof hij gewoon was blijven kijken. We praatten de hele nacht, ik vertelde hem over Brams fietsongelukje in de Herenstraat, over de nieuwe teamleider op mijn werk, over hoe de vijver in de Hortus was dichtgegooid. Vlak voor ik wakker werd, legde hij zijn hand op mijn wang. “Morgen weer, ja? Als Moos het wil.”
’s Ochtends lag Moos weer in de fauteuil, stokstijf, en ik hield mezelf voor dat ik gewoon uitgeput was. Maar de volgende nacht kwam hij weer. En de nacht erop. Dertig nachten lang, een hele maand. Elke keer sliep Moos naast mijn voeten en elke keer trof ik Thijs in een andere kamer van ons droomhuis. Hij liet me de keuken zien die we niet meer hadden kunnen renoveren, compleet met het fornuis dat we samen hadden uitgekozen. Op een nacht zaten we in het gras bij de appelboom achter in de tuin, de boom die hij had geplant toen Fenna een baby was, en hij vertelde dat hij spijt had van die ene vakantie naar Texel waarin we de hele week regen hadden en hij chagrijnig was geweest. Ik zei dat ik dat allang vergeten was. “Ik niet,” zei hij.
Overdag viel Moos af, zijn heupen staken uit als kleerhangers. Bij de dierenkliniek op de Breestraat zei de arts dat het gewoon ouderdom was; zijn hart begaf het langzaam. Ik kocht dure paté bij de slager en voerde hem met een lepeltje. Kinderen aaiden hem elke ochtend voordat ze naar school gingen, en ik zag dat Bram een extra boterham op het aanrecht legde “voor Moos, voor later”. Iedereen wist dat het einde naderde, maar niemand zei het hardop.
De eenendertigste nacht wachtte Thijs me op in de tuin. Hij zat op het houten bankje onder de appelboom, hij droeg dat ene groene jack dat ik weggedaan had aan de kringloop omdat ik het niet meer kon zien. De lucht in mijn droom rook naar bloeiende seringen, terwijl het buiten pas maart was. “Lotteke.” Hij nam mijn handen, zijn knokkels voelden benig en sterk. “Dit is de laatste keer. Je moet me laten gaan.” Ik begon te huilen, ik greep zijn pols vast en bleef maar schudden met mijn hoofd. Hij liet me niet los, hij wachtte tot ik stiller werd. Toen kuste hij mijn voorhoofd, en de droom loste op in grijs.
Ik werd wakker van een meeuw die op de dakgoot landde. Het eerste wat ik zag: Moos lag niet aan het voeteneind. Hij lag nog steeds opgerold tegen mijn knieholte, maar zijn flank bewoog niet. Mijn hand gleed over zijn kop, achter zijn oren, en hij voelde koel en zwaar, alsof hij van lood was. Hij was ’s nachts in zijn slaap gestorven, naast mij, alsof hij de laatste vonk van zijn leven had gebruikt om die deur nog een keer open te zetten.
Fenna vond me op de grond, met Moos in een handdoek gewikkeld, en ze zei niets. Ze sloeg haar armen om mijn hals van achteren. Bram brulde het uit, een langgerekte uithaal die door de gang kaatste. We bleven een hele tijd zo zitten, met ons drieën en een dode kat op schoot. Toen ik eindelijk overeind kwam, wist ik precies wat ik moest doen.
“We gaan hem begraven. Onder de appelboom. Haal jij de schep, Bram?”
Hij holde naar de schuur, zijn voetstappen bonsden door het huis. Ik zocht het oude groene jack, nee, het enige dat ik nog had: Thijs’ ribfluwelen trui. We legden Moos erin, met zijn kop op de mouw gevouwen. In de tuin, onder de kale takken van de appelboom, groef Bram een kuil. De aarde was vochtig en rook naar rottend blad. Fenna legde een steen bij de wortels, eentje die ze jaren geleden op het strand van Katwijk had gevonden. Ik deed mijn zilveren armband af, het cadeau dat Thijs me op onze vijfde trouwdag had gegeven, en liet die in de kuil glijden, naast de kater. Zwart en zilver in de bodem.
We schepten de kuil dicht en bleven even staan, hand in hand. De wind was koud en droeg de geur van de gracht mee.
Binnen opende ik mijn laptop en tikte twee woorden in Funda: Vrijburg, Zoutelande. Drie kwartier later hing ik aan de lijn met een makelaar uit Middelburg, een vrouw met een snelle stem die zei: “Mevrouw, er is net een witte woning in de duinen vrijgekomen. De bezichtiging is zaterdag.” Ik zei dat ik er was.
Ons huis aan de Korte Mare verkocht voor driehonderdvijfennegentigduizend euro. Daarvan kochten we het duinhuisje, een wit houten pand met rood dak, driehonderd meter van het strand van Zoutelande. De kinderen leerden surfen, ik nam ontslag bij de bakkerij en bleef alleen in het ziekenhuis werken, op halve kracht. Elke avond liepen we met zijn drieën naar het water en gooiden platte steentjes over de golven. Ik keek dan uit over zee en probeerde de stilte niet te vergelijken met de stilte die hij achterliet.
Zes maanden later, november, regende het al dagen horizontaal. Ik was de laatste dozen aan het uitpakken, dozen die van de zolder kwamen en er eigenlijk niet hadden moeten zijn. Op een kartonnen doos stond, in zijn hoekige handschrift met dikke zwarte marker: *Thijs – boeken*. Onderin vond ik geen boeken, maar een blauwe multomap. De kaft was een beetje kromgetrokken van het vocht, en toen ik hem opensloeg viel er een los tijdschriftknipsel uit: een aanbieding van een vakantiehuisje aan de duinrand. Eronder zaten vijf geprinte Funda-advertenties, allemaal uit Zoutelande of Dishoek. Eén ervan was het huis waarin we nu zaten. Achter de advertenties zat een gevouwen velletje gelinieerd papier, dat hij uit een schoolschrift had gescheurd.
*Lieve Lotte,*
*Je weet dat ik niet goed ben in zulke dingen, maar telkens als ik over de A44 reed en de duinen zag, dacht ik aan jou. Aan ons. Mocht het ooit zover komen dat jij alleen verder moet, blijf dan niet in Leiden. Ga naar zee. Niet huilen in ons rijtjeshuis dat elke dag naar hem ruikt. Koop dat witte huis met het rode dak, waar we het over hadden. Daar ben ik. Echt.*
*Thijs*
De datum onderaan was drie weken voor de dag dat hij op het bankje aan de Oude Singel ging zitten met een sigaret en de lentezon in zijn ogen. Ik liet de map op de open haard vallen en moest op de houten vloer gaan zitten, want mijn knieën deden het niet meer. Boven hoorde ik Fenna gitaar spelen, een wijsje dat Thijs haar ooit had geleerd.
Ik heb de map niet verstopt. Hij ligt nog steeds op de schoorsteenmantel, naast de foto van Moos in de vensterbank van het Leidse huis, met de tulpen erachter en zijn ogen als gele knikkers.
