Ik had de cadeaubon pas net op tafel gelegd of Lieke sprong al om mijn nek. Bram nam een slok koffie en bekeek de envelop alsof er een rekening in zat.
"Mam, een weekendje Domburg? Echt?" Liekes ogen straalden. Ze kneep in mijn arm. "Het Kursaal, dat is toch dat hotel met dat sterrenrestaurant?"
"Precies. Donderdag inchecken, zondag uit. Vijf jaar getrouwd, dat moet je vieren." Ik duwde de envelop naar Bram. "Jij wilde toch altijd al een keertje naar zee in het najaar?"
Bram wreef over zijn kin. "Ja, maar… het is zo druk op de zaak. Ons nieuwe voorraadsysteem draait voor geen meter."
Lieke liet zich op de bank vallen. "Joh, je bent magazijnchef, niet de directeur. Neem gewoon vrij." Ze griste haar telefoon van de salontafel en begon te scrollen. "Ik ga meteen het restaurant reserveren."
Ik keek de kamer rond. Hun appartement aan de Regentesselaan was altijd een plaatje: lichte vloeren, grote foto's van hun reis naar Bali, een vaas met verse tulpen op de vensterbank. Bram had de gordijnen openstaan, je zag de tram voorbij glijden. Het was een doodgewoon dinsdagmiddag, maar er hing iets. Iets onbestemds in de manier waarop Bram naar Lieke keek en toen snel zijn blik afwendde.
"Ik moet even naar het toilet," zei Lieke. Ze liet haar telefoon op tafel liggen en verdween de gang in.
Het toestel trilde. Een bericht. Ik keek ernaar zonder bijbedoelingen, gewoon omdat het vlak voor mijn neus lag. Het scherm lichtte op:
Joost de Wit:
'Schat, heb je het rode setje al gekocht? Ik kan niet wachten tot zaterdag. X'
Mijn maag kneep samen. Het bloed trok weg uit mijn gezicht. Bram stond bij het aanrecht, hij schonk water in een glas. Ik staarde naar die zin en las hem drie keer opnieuw. Rood setje. Joost. Zaterdag. De weekendtas die Lieke al klaar had staan was niet voor Domburg.
Ik ken mezelf: ik was hoofdboekhouder geweest, 32 jaar bij de Belastingdienst, ik raak niet snel in paniek. Maar nu voelde ik mijn handen trillen. Ik pakte mijn eigen telefoon, deed alsof ik iets opzocht, en prentte de naam in mijn hoofd. Joost de Wit.
Lieke kwam terug. Ze pakte haar telefoon, keek er niet eens naar, en babbelde verder over de reservering. Bram glimlachte flauw. Ik dronk mijn koffie, zei dat ik naar huis moest, en omhelsde hen beiden alsof er niks aan de hand was. Op de stoep haalde ik diep adem. De wind voelde zout, er dreigde regen. Ik liep naar de tramhalte, maar stapte niet in. Ik leunde tegen het abri en opende LinkedIn.
PostNL, waar Lieke als teamleider distributie werkte, telde honderden medewerkers. Joost de Wit stond er met een lachende foto: begin dertig, een dagje ouder dan Lieke, losse krullen, een zelfverzekerde grijns. Senior planner. Dezelfde afdeling. Op een groepsfoto van de afgelopen kerstborrel stond hij naast haar – zijn arm losjes over haar schouder. Mijn dochter keek niet in de lens, maar naar hem.
Ik noteerde het telefoonnummer dat bij zijn profiel stond – hij zette het er zelf op, voor zakelijke contacten. Toen belde ik.
"Met Joost."
"Joost, je spreekt met Marjan de Vlugt, de moeder van Lieke. We moeten praten. Vandaag nog."
Het bleef even stil. "Hoe… weet Lieke hiervan?"
"Nee. En het blijft onder ons als je over een halfuur in café De Oude Molen bij station Hollands Spoor bent. Anders stap ik morgenochtend naar de directeur HR van PostNL."
Hij zuchtte. "Goed. Halfuur."
Het café was vrijwel leeg. Alleen een paar studenten en een man met een hondje. Joost kwam binnen in een leren jas, de kraag opgezet. Hij rook naar sigaretten en iets te veel zelfvertrouwen. Hij schoof aan tafel en legde zijn sleutelbos voor zich.
"Mevrouw De Vlugt, wat dramatisch allemaal."
"Jij gaat elk weekend met mijn dochter naar een hotel. Daar gaat mijn cadeaubon. En haar man zit thuis."
Hij glimlachte zoals jongens doen die denken dat ze alles kunnen maken. "Lieke is volwassen. Ze maakt haar eigen keuzes. Bram is een saaie dertiger die alleen over dozen praat."
Ik boog me naar voren. "Bram heeft vijf jaar lang elke ochtend koffie voor haar gezet. Hij heeft haar vader begraven, hij heeft het appartement gekocht toen ze nog studeerde. En jij bent een planner die zijn telefoonnummer op LinkedIn zet alsof hij pakjes bezorgt."
Joost haalde zijn schouders op. Toen trok hij zijn telefoon tevoorschijn en swipete door een fotomap. "Wilt u bewijs? Kijk."
Hij duwde het toestel onder mijn neus. Foto's: Lieke in een badjas op een hotelkamer, Lieke die hem zoent op het balkon van een strandtent, Lieke die met een glas wijn naar hem lacht op een manier die ik bij Bram nooit had gezien. Elke foto was een splinter in mijn borst.
"Genoeg." Ik schoof de telefoon terug. "Het stopt vandaag. Anders zorg ik dat jouw contract niet wordt verlengd. Je denkt toch niet dat PostNL een relatie binnen hetzelfde team tolereert als er een klacht ligt?"
Hij hield zijn hoofd schuin. "En wat als Lieke míj kiest?"
"Dan verliest ze alles. En jou ook, uiteindelijk."
Hij stond op, liet een muntstuk van twee euro op tafel vallen en liep naar de deur. "Succes, mevrouw."
Ik bleef zitten met een koude kop thee. De regen kletterde nu tegen de ramen. Ik belde Bram.
"Marjan? Is er iets?"
"Ik kom naar je toe. Nu. Zorg dat Lieke er niet is."
Toen ik aanbelde, rook het in de gang naar gebraden kip. Bram droeg een schort en had een houten lepel in zijn hand. Zijn gezicht betrok zodra hij het mijne zag.
"Wat is er?"
Ik trok hem de woonkamer in en deed de deur dicht. De tulpen stonden er nog, onschuldig. "Bram, Lieke heeft een verhouding. Met een collega. Joost de Wit. Ik heb zijn berichten gezien, foto's bekeken. Ze zou aanstaande zaterdag met hem naar een hotel gaan."
Hij zei niets. Hij legde de lepel op de salontafel en ging zitten, alsof iemand de stekker uit hem had getrokken. Zijn handen lagen stil op zijn knieën.
"Weet je het zeker?"
"Ik heb die jongen een uur geleden gesproken. Hij gaf het toe. Liet foto's zien."
Bram staarde naar het tapijt. Zijn ademhaling was vlak. Toen klonk de sleutel in het slot. Lieke.
Ze kwam binnen, zwaaide met een AH-tas. "Ik heb ijs gehaald! Appeltaart-ijs, jouw lievelings…" Haar stem stierf weg toen ze ons zag.
"Mam? Bram? Wat is er?"
Bram stond op. Zijn stem klonk kalm, maar elk woord was van staal. "Joost de Wit. Rood setje. Zaterdag. Herken je dat?"
Lieke verbleekte. De tas gleed uit haar handen, het pak ijs kletterde op de vloer. "Bram… ik… het is niet wat je denkt."
"O nee?" Hij pakte zijn telefoon, hield het scherm omhoog. "Ik heb je berichten niet eens nodig. Je moeder heeft ze al gezien."
Lieke keek naar mij. Haar ogen schoten vol tranen. "Mam, hoe kon je?"
"Hoe kon ík?" Mijn stem brak. "Hoe kon jíj het vijf jaar lang vertrouwen van die jongen in één klap aan diggelen slaan? Ik heb jou opgevoed met eerlijkheid, Lieke. Dit is geen slippertje. Dit is een dubbelleven."
Ze zakte op de bank. Bram bleef staan, kaarsrecht, zijn kaken op elkaar geklemd. "Ik wil een antwoord," zei hij. "Wanneer begon het?"
"Een halfjaar…" zei ze zacht. "Hij was aardig. Hij luisterde. Jij was altijd moe, altijd met het magazijn bezig."
"Dus ik werkte te hard? Ik deed het voor óns. Voor de hypotheek, voor jouw opleiding tot teamleider." Zijn kaakspieren trilden. "Weet je wat? Ik geef je één kans. Maar op mijn voorwaarden."
Ze keek op.
"Morgenochtend neem je ontslag. Je zoekt ander werk, weg van die kerel. Je geeft mij al je wachtwoorden. En we gaan naar een relatietherapeut, de eerste afspraak maak ik zelf. Zonder discussie."
Lieke knikte haperend. "En… en Joost?"
"Die bel je nu. In mijn bijzijn. En je zegt dat het over is. Zonder uitleg, zonder vaarwel."
Ze pakte trillend haar telefoon. Bram keek naar mij, één keer, kort.
Ik opende mijn bank-app. Het reserveringsbedrag voor Domburg stond nog op mijn spaarrekening, de cadeaubon zelf had ik nog niet definitief laten drukken bij het Kursaal. Ik toetste het rekeningnummer van Bram in, bevestigde met mijn vingerafdruk en hield het scherm omhoog.
"Bram, dit is het geld voor het weekend. €875. Het staat nu op jouw rekening. Niet voor Domburg. Voor jou. Om te doen wat goed voelt."
Hij keek naar het scherm, toen naar mij. Hij knikte, één keer, en stopte de telefoon in zijn broekzak.
Lieke belde. Het gesprek duurde zeventien seconden. Ze hing op en liet de telefoon op de bank vallen. Alleen de klok aan de muur tikte door.
Ik stond op, trok mijn jas aan en liep de deur uit. Op de trap bleef ik even staan. Door de deur hoorde ik Bram zeggen: "We beginnen morgen. Alles opnieuw. Of helemaal niet."
Buiten scheen de maan tussen de wolken boven het tramviaduct. Ik stapte op mijn fiets, het zadel nog nat van de regen, en reed langs de gracht naar huis. De koplamp trok een smal spoor licht over de kasseien, tot aan de volgende brug.
